Wij trouwden eerst en woonden dan samen. Wat ouderwets!
WIj werden geboren …
Vóór er huismannen waren, computerspelletjes,
computerhuwelijken en tweelingbanen.
Vóór : kinderdagverblijven, groepstherapie en
verpleeghuizen.
In onze jeugd waren kevers insecten en geen Volkswagens en
een ontsteking had nog niet te maken met elektronica.
Wij hadden nooit gehoord van TL, TV, CD, FM radio, video,
tapedecks, magnetrons, elektrische schrijfmachines, faxen,
kunstharten, kunstnieren, tekstverwerkers, printers,floppies,
draadloze telefoons, biogarde, emulgatoren, booreilanden, en
jongens met oorringen, hippies, yuppies, dinks, BOM vrouwen.
Wij waren er vóór de A28, E4, B747, de TGV, de HSL en de
oecumene, vóór de AOW, WAO, WW of de VUT. Toen betekende “Made in
Japan”: rommel.
Wij hadden nooit gehoord van pizza’s, MacDonald’s, en
instant koffie.
In onze tijd betekende HEMA: Hollandse Eenheidsprijzen
Magazijn en een zakhorloge kostte daar ƒ 1,--.
IJsco’s kostten 3, 5 of 10 cent.
Een brief kon je voor
7 1/2 cent versturen.
Een nieuwe auto kostte ƒ 2000,--, maar bijna niemand kon
dat betalen.
Benzine kostte 10 cent per liter.
In die tijd was roken chique en interessant.
Pot was iets om in te koken. Aids was het Engelse woord
voor helpers.
Een relatie had met zaken doen te maken en niet met een
bed.
LAT en LAST- relaties kenden wij niet.
Wij wisten niet wat eten uit de muur was.
De kleur roze had met babies te maken en homo betekende
mens.
Wij waren er niet vóórdat het onderscheid tussen seksen
werd ontdekt, maar wel vóór het kunnen veranderen van sekse.
Wij moesten het doen met wat wij hadden of waren.
De Viagra-pil was ons totaal onbekend (n.b. deze regel is
later door iemand toegevoegd!)
Wij zijn de laatste generatie die nog dacht dat je een man
moest hebben om een baby te krijgen.
Geen wonder dat wij soms zo in de war zijn en dat er een
generatiekloof is.
Maar wij hebben het overleefd. En dat is iets om trots op
te zijn.
De
kinderen van tegenwoordig worden in de watten gelegd. Ben je als
kind opgegroeid in de 50er, 60er of 70er jaren, dan is het
terugkijkend, onvoorstelbaar, dat je zo lang hebt kunnen
overleven!
Als
kind zaten we in de auto, zonder gordel en zonder airbags.
Onze
bedjes waren geschilderd in prachtige kleuren met verf vol met
lood en cadmium, waar we onze tandjes op konden testen.
De
medicijnflesjes uit de apotheek konden we gewoon open krijgen,
evenals overigens de fles met chloor. Niets geen
veiligheidssluiting.
Deuren en ramen bedreigden voortdurend onze vingertjes. Je
vingertjes klemmen was de beste leerschool om voor een volgende
keer op te passen. De praktijk is immers de beste leermeester!
Op de
fiets hadden we nooit een helm op.
We
dronken water met de mond aan de kraan in plaats van uit een
fles.
We
bouwden zeepkisten en kwamen er pas op de eerste rit,
bergafwaarts, achter, dat we geen rem hadden. Na enige
ongelukken konden we daar prima mee omgaan.
’s
Morgens gingen we naar buiten om te spelen. We bleven de hele
dag weg en moesten pas thuis zijn als de straatlantaarns
aangingen. Niemand wist waar we waren en we hadden geen mobiele
telefoon bij ons.
We
sneden ons, braken onze botten en tanden en er werd niemand
aangeklaagd. Het waren gewoon ongelukken en de enige die schuld
had waren we zelf.
We
hadden vechtpartijen en sloegen elkaar een blauw oog. Daar
moesten we mee leven. Volwassenen interesseerden zich daar niet
voor. Hun reactie was: “Je moet je haar maar terughalen!”
We
aten brood met dikke roomboter, genoten van de vette “kanen”,
dronken Cola en werden evengoed niet te dik.
We
dronken met vrienden uit dezelfde fles en niemand ging daar dood
aan.
Als
we “gewond” raakten en er bloed vloeide, dan waren er geen
speciale handschoenen uit voorzorg om niet besmet te raken.
We
hadden geen Playstation, geen Nintendo, geen X-box, geen
videogames, geen 64 tv-zenders, geen surround-sound, geen eigen
tv, geen computer en ook geen internet chatrooms.
Wat
wij wél hadden waren VRIENDEN.
We
gingen gewoon naar buiten en daar kwamen we elkaar tegen. We
gingen naar hun huis en belden aan. Of we gingen soms gewoon
naar binnen zonder aan te bellen, gewoon achterom. En dat zonder
van tevoren af te spreken en zonder dat onze ouders dat wisten.
Niemand bracht ons en niemand haalde ons weer op. Hoe was dat in
godsnaam mogelijk?
We
bedachten zelf spelletjes met stokken en tennisballen. We
vermaakten ons met slootje springen. We aten wurmen en die
leefden echt niet voor altijd in onze magen verder en we konden
rustig kauwen op zuring. Met de stokken prikten we elkaar bijna
nooit in de ogen en als dat tóch eens gebeurde, dan was dat niet
“expres”.
Met
voetballen op straat mocht je alleen meedoen als je goed genoeg
was. Als je niet goed genoeg was, moest je met teleurstellingen
leren omgaan.
Sommige kinderen waren niet zo goed op school als anderen. Ze
haalden onvoldoendes en bleven zitten. Dat leidde niet tot
emotionele ouderavonden of zelfs tot veranderde prestatienormen.
Als
je met een mes naar school ging, dan deed je dat om op de
speelplaats “landje te veroveren” of katjes af te kunnen snijden
voor je moeder.
Soms
hadden onze daden consequenties. Dat was logisch en daar kon
zich niemand voor verstoppen. Als iemand van ons iets gedaan had
wat verboden was, was het normaal dat je ouders je er niet
uithaalden. Integendeel, ze waren het met de politie en de
onderwijzer eens! Stel je voor! En je kreeg nog extra straf op
de koop toe. “Je zult het wel verdiend hebben. Ze geven geen
straf voor niks”, was hun commentaar
Onze
generatie heeft veel probleemoplossers en uitvinders, die bereid
zijn risico’s te nemen, voortgebracht.
We
hadden vrijheid, we kenden onze plichten, we hadden succes en
namen verantwoording.
Met
al die zaken konden we zeer goed omgaan.
Bij die generatie hoor jij
ook. Wees blij, dat je er toen bij was.