|
Een herinnering. Mijn collega en ik gaan van tijd tot tijd op internaatsbezoek.
Wanneer we tijdens een van onze lange reizen even pauzeerden op een
terras en mijn collega juist even weg was om te telefoneren, zag ik haar
zitten. Ze was zeker zeventig, en prachtig om te zien! Met zorgvuldig
aangebrachte make-up en haar kapsel grijswit, opgestoken met zo’n
schildpadkam. Bij aankomst viel ze me meteen op. Hoe zij het terras
betrad, en hoe ze met gratie plaatsnam, terwijl ze de omgeving
observeerde. Ze had het vest met de lange mouwen, losjes over haar
schouders hangen. Haar slanke smalle handen zochten naar een sigaret uit
het pakje dat vóór haar op tafel lag. Uiterst voorzichtig trok ze met
pincetvingers, een filtersigaret naar zich toe. Hierna begon het
volgende onderdeel van haar avontuur, de zoektocht naar de aansteker.
Haar tas werd geopend en haar handen doorzochten grondig, vak voor vak.
Totdat ze een witte aansteker tevoorschijn haalde. De sigaret hing
losjes tussen haar lippen. Ze trok een rood pruilmondje en bracht de
aangeknipte aansteker, naar haar genotmiddel en liet de tabak opgloeien.
Ze inhaleerde hoorbaar diep.
Even koffiepauze, terwijl de collega’s naar een niet voor mij bestemde vergadering zijn. Ik zit op het tuinterras aan de grote weg waaraan het internaat ligt waar ik werkzaam ben. Het heeft net geregend en ik zie een zee van witte terrasstoelen die schuin tegen de tafels staan met hun modderpoten omhoog. Zo goed als het kan maak ik een zitting droog met mijn zakdoek, en ga zitten. Héérlijk na zo'n fikse zomerbui. De lucht klaart weer op. Weldra voel ik de zon en geniet. Het is stil, ook op de grote straatweg dit uur. Totdat ik aan de overkant op het gras tussen de bomen een rode sportwagen zie stoppen. Met daarin een man en een vrouw. Zij stapt uit en gooit het portier dicht. Ze roept schijnbaar iets tegen de man, maar ik versta er niets van. Ze is bóós, dat wel! En loopt weg van hem en zijn auto. Hij stapt uit en pakt haar bij de kraag van haar rode lakregenjas. Ook hem zie ik drukpratend, gebaren maken. Ze is woedend zo te zien en grijpt naar haar hand, waarbij het lijkt alsof ze een ring weggooit. Ze rent verder, tot buiten mijn blikveld. De man gaat achter het stuur zitten, zijn hoofd met zijn hand ondersteunend en lijkt na te denken. Wanneer hij een blik in zijn achteruitkijkspiegel werpt, stapt hij pardoes uit en loopt evenals zij uit mijn blikveld weg. De auto achterlatend. Ik wacht geduldig af, maar na niet lang, komen ze samen teruggelopen. Ze bukken zich in het natte gras en lijken iets te zoeken. Dat duurt wel even maar dan staan zij weer bij elkaar en praten overleggen schijnbaar, wijzen van ik, hier jij daar! Totdat de vrouw op lijkt te springen en hem iets overhandigt, dat hij meteen aan haar vinger schuift. Een heftige omhelzing volgt. Dan wordt er ingestapt. Hij slaat zijn arm om haar heen. Zij doet een sjaaltje om, en … weg zijn ze… Mijn koffie is koud geworden.
|